De Islamitische Kalender

De Islamitische kalender (Hidjra) is volledig gebaseerd op de maan. Een jaar bestaat uit 12 maanden van afwisselend 30 of 29 dagen. Een gewoon jaar telt 354 dagen, een schrikkeljaar telt 355 dagen. In een schrikkeljaar heeft de laatste maand ook 30 dagen. In een cyclus van 30 jaar zijn er 11 schrikkeljaren: jaar 2, 5, 7, 10, 13, 16, 18, 21, 24, 26 en 29. Op die manier benadert men de cyclus van de maanfazen (de synodische maand of 29,53059 dagen) zeer nauwkeurig. De gemiddelde maandduur is immers 29,53056 dagen.

De maanden zijn Moeharram (30 dagen), Safar (29 dagen), Rabi'al-Awwal (30 dagen), Rabi'ath-Thani (29 dagen), Djoemada l-Oelaa (30 dagen), Djoemada l-akhira (29 dagen), Radjab (30 dagen), Sja'baan (29 dagen), Ramadaan (30 dagen), Sjawwaal (29 dagen), Dhoe l-Qada (30 dagen), Dhoe l-Hidjdja (29 of 30 dagen).

De seizoenen worden in deze kalender niet gevolgd en daarom verschuift deze kalender doorheen het jaar van de Gregoriaanse kalender.

De eerste dag van het jaar 1 van de Hidjra is 16 juli 622. Op 1 januari 2003 was het 28 Sjawwaal 1423. Het jaar 1424 van de Hidjra begon op 5 maart 2003. De dag begint in deze kalender echter de avond voor een aangeven datum.

Deze eenvoudig te berekenen kalender wordt in de praktijk weinig gebruikt. Het begin van de nieuwe maand wordt meestal vastgesteld door de waarneming met het blote oog van de maansikkel op het einde van de 29ste dag van de lopende maand. Is de maansikkel (na de nieuwe maan) al zichtbaar, dan wordt er geen dag meer bijgeteld. Is de maan niet zichtbaar, dan telt de lopende maan 30 dagen. Een maand mag echter nooit meer dan 30 dagen lang zijn. Wie een maand te vroeg begint, kan soms in de problemen geraken omdat de volgende maand niet vroeger dan na het tijdstip van nieuwe maan kan beginnen.

Vaak voert men de waarneming niet uit, maar tracht men de mogelijkheid om de maan te zien te berekenen. Aan de hand van al dan niet gelukte waarnemingen van de jonge maansikkel, is al door velen getracht een criterium vast te leggen. Parameters die een rol kunnen spelen zijn: de leeftijd van de maan (tijd verlopen sinds nieuwe maan), de afstand van de maan tot de zon aan de hemel of op de horizon gemeten, de hoogte van de maan bij zonsondergang of op het moment dat de zon 5 graden onder de horizon is, de grootte van de maansikkel, het tijdsverschil tussen zons- en maanondergang. Sommigen vinden het ogenblik van zonsondergang het meest geschikt, omdat de maan dan nog het hoogst boven de horizon staat. Anderen menen dat de maan beter kan gezien worden wanneer de zon al een aantal graden onder de horizon is. Meestal worden die parameters (die niet volledig onafhankelijk zijn) ook gecombineerd. Dit alles is bovendien plaatsafhankelijk. Een maansikkel die niet zichtbaar is in Europa, kan op dezelfde datum, meer naar het westen, in de Verenigde Staten bijvoorbeeld, al goed waarneembaar zijn. Soms is het zelfs mogelijk dat de maansikkel goed zichtbaar is in de landen nabij de evenaar terwijl dat helemaal niet het geval is in meer noordelijke landen zoals BelgiŽ.

Met zekerheid voorspellen of de maansikkel al dan niet zichtbaar zal zijn, is in de kritische gevallen onmogelijk. Gaan waarnemen is in onze streken geen oplossing. In de meeste gevallen zal zelfs een gunstige stand niet zichtbaar zijn, hetzij omwille van het weer, hetzij omwille van het niet vrij zijn van de horizon, hetzij omwille van de vervuiling of om nog andere redenen.

Als astronoom kan men slechts de waarden van de aangegeven parameters berekenen, hetgeen ook gedaan is op de volgende pagina's voor de  periode  juni-juli 2015 en juni-juli 2016 .


Terug naar de vragenlijst van de KSB .